De eerste blik op Tunesië

Ik had een kleedje met een negerinnetje erop. Mama had dat voor mij gemaakt toen ik in haar buik zat. Maar de douaneman, die ons ontving in Tunesië, het land waar wij nu gingen wonen, zag er heel anders uit. Hij had wel pikzwarte haren met piepkleine krulletjes, maar zijn huid was donkerbruin. Met zijn inktzwarte ogen keek hij naar mama. Hij zei iets in een vreemde taal. Het klonk hard. Ik keek vragend naar mama. Die leek er ook niets van te begrijpen, maar lachte vriendelijk. Ik richtte mijn blik weer op de man. Hij bladerde wat in de paspoorten en zette er stempels in. Toen liepen we weg. Ik was blij. Ik vond hem maar eng.
Ik was erg stil. Normaal was ik een kletsmajoor, maar nu zei ik heel weinig. Ik was nog nooit zo ver van Nederland geweest. Ik was ook onder de indruk van de hitte. Het was augustus en dat was de heetste maand van het jaar in dit land. Terwijl we op de koffers wachtten, konden we papa door een groot doorzichtig raam zien zwaaien. Hij was eerder naar Tunesië gegaan om zaken voor ons te regelen. Hij zag eruit zoals altijd, maar stak nu wel erg mager, lang en wit af tussen de donkere menigte.
Eindelijk waren we bij papa. Hij riep: “Welkom in Tunesië!” Hij duwde mij een cadeau in mijn handen. Ik kon meteen voelen dat het een boek was. Ik maakte het vlug open. Maar, hè bah, er stonden allemaal woordjes in die ik niet begreep. Kwaad legde ik het boek op de achterbank van de nieuwe auto.

“Kijken jullie goed rond!” riep papa toen we weg reden.
Ik keek rond. Het was druk op de weg. Elke auto die ons voorbij scheurde, toeterde luid. Alle auto’s hadden hun ramen open vanwege de hitte en reden met de radio aan. “Dat is Arabische muziek”, vertelde papa, “wat een gejengel hè? Kijk… een ezel.” We reden een man in een soort bruine doek voorbij die op een karretje zat met een ezel ervoor. Ik keek er gespannen naar. Ik wilde wel een ezel zien. Na een tijdje zag ik iets zwarts voortbewegen op straat.

“Is dat de pastoor?” vroeg ik nieuwsgierig.
“Nee, helemaal niet”, zei papa lachend. “Dit is nu een gesluierde vrouw. Vrouwen dragen hier vaak sluiers.” Hij schraapte zijn keel en zei: “Ik heb een hotel gereserveerd met een zwembad boven op het dak!”
Ik voelde de blijheid van papa niet. Sinds ons vertrek gebeurde dat vaker. Ik dacht aan oma. Ik ging altijd op zondag met haar naar de kerk om naar gospelmuziek te luisteren. Dat zouden we nu lang niet kunnen doen. Toen reden we de blauwe zee voorbij.

“Kijk je goed, Katja?” riep papa.
Ik keek naar de zee, maar dacht alleen maar aan Nederland. Ik zag zijn lichte zon en de rustige straten. Wat maakten mij het zwembad en de zee uit? Ik wilde Nederland.