De Tunesische taxichauffeur

Waar het mij om gaat, is erbij horen in Tunesië. Had ik maar een donkerbruine huid en zwarte haren, heb ik vaak gedacht als kind. Soms voel ik dat nog zo. En sinds de revolutie wil ik wel eens een hoofddoekje om doen, voor even, om erbij te horen. In Nederland zou ik Tunesiërs willen kennen. Kon ik maar Arabisch spreken, denk ik elke keer weer als ik op vakantie ben in mijn land van herkomst, dan hoor ik er echt bij. Maar mijn ouders stuurden mij als kind naar de Franse school. Ook geen slechte keuze, want daardoor heb ik in Parijs kunnen studeren en heb ik daar twaalf jaar gewoond. Ook in Parijs ben ik thuis en wil ik erbij horen.

Die gevoelens droeg ik bij me toen ik tijdens de Carnavalsvakantie in de taxi stapte, samen met mijn Nederlandse vriendin Willemijn, om naar El Kantaoui te gaan, een mooi haventje dat aan Griekenland doet denken en dat naast Sousse ligt. We zouden daar iets gaan drinken. Vroeger was dat de uitgaansplaats voor mij en mijn vrienden.

“Aslema”, zei ik tegen de taxichauffeur, zoals ik altijd doe om duidelijk te maken dat ik geen toerist ben. Ook al spreek ik geen Arabisch, het accent waarmee ik de paar woordjes die ik ken uitspreek, is perfect. Het is zelfs een accent uit Sousse, heb ik me laten vertellen.

“Kom je uit Tunesië?” vroeg de taxichauffeur mij in het Arabisch, maar ik begreep hem.

“Ja”, antwoordde  ik, terwijl ik met gemak overschakelde naar het Frans. Nu kon ik uitleggen dat ik erbij hoor.

“Ik ben hier opgegroeid”, vertelde ik verder en voegde toe: “Ik woonde in Cite Zahra.” Als taxichauffeur is dat interessant om te weten, dacht ik.

“Ooh!” riep hij, “daar woon ik nu!” Ik knikte lachend en vertaalde voor mijn vriendin waar we het over hadden.

De man ging verder in gebrekkig Frans: “Je bent dus half Tunesisch? ”Fifty fifty”, voegde hij er aan toe.

“Ja”, zei ik verwonderd, want deze taxichauffeur begreep mijn ziel. Ik deed er nog een schepje bovenop door te vertellen: “Mijn moeder is hier gestorven en mijn broer is getrouwd met een Tunesische vrouw.”

Lachend vertaalde ik het gesprek voor Willemijn.

“Waar woon je nu dan?” vroeg de man nieuwsgierig. Af en toe keek hij mij in de spiegel vragend aan.

“In Nederland”, antwoordde ik, “mijn vriendin komt ook uit Nederland”.

“Is je man Nederlands?”. Heel zijn houding vertelde dat hij nieuwsgierig was geworden naar de vrouw die in zijn taxi zat.

“Ja”, antwoordde ik.

“Heb je kinderen?” vroeg hij toen.

Een normale vraag voor iedereen, maar niet voor mij. Ik heb geen kinderen kunnen krijgen en God weet hoe erg ik dat heb gevonden. Maar ik zei vrolijk: “Nee, maar ik sponsor een kindje bij SOS Village Akouda.” Als taxichauffeur kende hij dat dorp natuurlijk. Ik wees in de richting waar het dorp lag. Dankzij Yesmine, mijn sponsormeisje, de taxichauffeur en mijn reis met mijn vriendin Willemijn naar hier, mijn land, voelde ik mij niet verdrietig worden.

“Hoe oud is het kind?” vroeg de man plotseling erg nieuwsgierig en nog steeds in moeizaam Frans.

“Vier”, antwoordde ik. Ik had een maand daarvoor ontroerd haar dossier ontvangen. Er stond in: “Yesmine is vier jaar en heeft al heel veel meegemaakt”. Rillingen kreeg ik daarvan en het eerste wat ik dacht was: Laat me alsjeblieft heel oud worden om dit kind te kunnen volgen en helpen!

“Ga  je haar meenemen naar Nederland?” vroeg de chauffeur nu met een vragende blik.

“Nee”, antwoordde ik, “dat is niet de bedoeling.”

“Waarom niet? riep de man uit. “Dat moet je doen. Alsof het je eigen dochter is.”

Even voelde ik me verdrietig worden. Hoe graag was ik het kind gaan ophalen, meenemen naar huis, maar dat kon niet en was volgens mij – twijfelde ik – ook niet goed voor het kind. Zoals mijn vader zei, toen ik niet in Nederland wilde gaan wonen op mijn achttiende: “Je kunt een cactus niet in Nederland planten.”

Ik antwoordde: “Dat kan niet. Dat is niet goed voor het kind.”

Maar de man bleef bij zijn standpunt: “Nee, echt, dat moet je wel doen”, riep hij, “ik wil je morgen wel naar SOS Village brengen.”

“Ik weet niet of we dan gaan”, zei ik spijtig. Ik probeerde mezelf weer op te beuren door te zeggen: “Ik zorg, samen met familieleden, ook nog voor kinderen in Cite Bouazzaza, daar gaan we morgen naartoe.”

Nu draaide de man zich om en riep naar mij: “Ah, jij doet alles voor kinderen. Eigenlijk moet de taxi gratis voor je zijn.”

Ik lachte en gaf hem een hand. “Ik vertel het je straks wel”, riep ik naar Willemijn, die belangstellend naar mij keek. “Ik heb nu geen tijd om te vertalen.”

We waren op de plaats van bestemming en betaalden wat we hem verschuldigd waren. Ik gaf hem ook nog een goede fooi. Hij nam het in ontvangst en zei: “Je hebt nu kinderen om voor te zorgen en een plaats in de hemel.”

Willemijn en ik stapten uit. Dit gesprek is een pleister op vele wonden.