Carnavalsvakantie Tunesië

“Wat vond je het leukste?” vroeg ik op een avond aan het einde van onze reis aan mijn vriendin Willemijn die met mij mee was gegaan naar Tunesië. We zaten in het restaurant van het hotel waar we elke dag van een heerlijk buffet genoten. Nieuwsgierig keek ik haar aan.

“De kinderen”, zei ze meteen. Maar daarna aarzelde ze en zei: “Ik vind eigenlijk zoveel leuk, maar de kinderen zijn het meest bijzonder.”

Ik verwachtte bij vertrek dat mijn vriendin een cultuurschok zou meemaken, iets van wat ik had meegemaakt toen ik zeven was en voor de eerste keer Tunesië ontdekte, maar met gemak paste ze zich aan alle verschillende situaties aan. Alleen het verkeer vond ze moeilijk. Met kleine kreten liet ze merken dat ze het doodeng vond hoe de taxichauffeurs reden en de fooien die ze gaf hingen af van de aardigheid van de chauffeur, zijn Engels en hoe veilig ze zich had gevoeld.

Het was de bedoeling dat ik gewoon deed wat ik altijd deed als ik in mijn land van herkomst op bezoek was en zij zou meedoen. Zo gingen we dus op de eerste dag naar SOS Village Akouda. Sinds een paar maanden sponsorde ik een nieuw sponsormeisje van vier jaar. Willemijn keek haar ogen uit in de paradijselijke omgeving van het weeshuis en toonde grote bewondering voor de “moeder” die voor acht kinderen zorgde. Deze vrouw werkte dag en nacht en had geen eigen kinderen. Om de drie weken kon ze even naar haar familie gaan en kwam een “tante” haar vervangen. Ik zag mijn sponsorkindje voor de eerste keer en was net zo verlegen als zij. Bovendien, geen kinderen hebbend, wist ik niet goed hoe ik met de zingende en springende kinderen moest omgaan. De acht kinderen waren nu thuis. Wij waren expres rond vijf uur ’s middags gekomen Ik volgde Willemijn’s voorbeeld. Zij is een moeder van vier kinderen en wist met elk kind en elk probleem raad.  Ze sprak gewoon in het Nederlands met ze en nam ze op de knie. Ik spreek vlot Frans, zoals alle volwassenen in Tunesië, maar de kinderen van die leeftijd spreken alleen Arabisch. Ik gaf een roze knuffel met grote oren aan Yesmine, mijn vierjarige sponsorkindje. De moeder kwam gebakjes en iets te drinken brengen. De directeur vertelde het een en ander en de kinderen werden druk door onze aanwezigheid. Ze zongen een liedje dat ze op school hadden geleerd. De directeur vertaalde voor ons. Het was een liedje over de handelingen die ze op een dag moesten verrichten.

“Als ik nog ooit een kindje sponsor, dan wordt het hier!” fluisterde mijn vriendin en dat maakte me erg blij. Vrolijk namen we een taxi terug naar het hotel.

De volgende dag waren mijn andere sponsorkinderen aan de beurt, kinderen die ik met familieleden financieel ondersteun via een kleine organisatie in Parijs: Tunaction. De chauffeur van het centrum kwam ons ophalen, netjes op tijd. “Ik dacht dat iedereen hier altijd te laat was”, zei Willemijn. Even later hadden we een vergadering met de hoofdpsycholoog, de maatschappelijk werker en de opvoeder. We hadden geld verzameld en speelgoed gekocht voor al de sponsorkinderen (zo’n dertig) en ze waren daar erg blij mee. De vergadering ging over de vier kinderen voor wie ik zorgde, over wie een cadeau had verdiend en wie niet. Ik luisterde naar ieders mening. Zelf vonden wij het als Nederlanders erg moeilijk om een kind geen cadeau te geven, maar met name de opvoeder wilde absoluut niet dat mijn sponsorkindje Mounir, dat er met de pet naar gooide, een cadeau zou krijgen. Omdat hij met het kind aan het werk was, besloot ik niet tegen hem in te gaan. Mijn sponsormeisje Dalila en jongetje Imed hadden het wel verdiend. Vooral het meisje, dat ook nog een beperking had, deed vreselijk haar best. Het laatste jongetje Samir had het erg moeilijk en zou zeker op het criminele pad terechtkomen als hij geen hulp meer zou krijgen. Hij kreeg ook een cadeautje. Het kind kon niet alle lessen volgen, omdat het geen goede basis had. Toen alle kinderen waren besproken en alle besluiten waren genomen, gingen we op pad om de kinderen te zien.

Tot mijn verbazing gingen we naar school en werden we de klassen ingeleid. We maakten kennis met de onderwijzers en onderwijzeressen. Dalila vloog me in de armen en bleef ons overal volgen. Ze kreeg van mij een armband en een barbiepop. Imed zat verlegen achter in de klas en zei niets. Ik gaf hem zijn technische Lego en ging even naast hem zitten. Hij had Engelse les. Ik wist dat het kind heel blij was, maar het niet kon laten blijken. Dalila daarentegen legde alle vriendinnen alles uit en verloor mij niet uit het oog. Toen ik even stond te praten met de onderwijzeres kwam de onderwijzer van Dalila naar mij toe. Hij vertelde mij dat de school een uitje voor de kinderen organiseerde op een zondag en dat zij als enige niet mee mocht omdat de ouders niet voor haar wilden betalen. Door mijn andere reizen wist ik dat het kind het thuis ontzettend moeilijk had en dat haar vader niet naar haar omkeek of soms juist wel, maar dan op een verkeerde manier. Bij mijn eerste reis had hij de barbiepop die ik het kind had gegeven kapotgemaakt. Uit jaloezie? Boosheid? Ik zou het nooit te weten komen, maar ik had toen besloten dit kind te steunen zolang ik kon. Nu kon ik iets betekenen. Ik greep mijn kans aan. Het uitje kostte vijftien dinar en de onderwijzer mocht het niet zelf betalen. Ik had het geld gelukkig bij me. Het was slechts € 7,50. Ik gaf het hem.

Mijn beste vriend Karim, bij wie we op bezoek gingen die avond, ook een leuk moment, begreep mij onmiddellijk en zei: “Gelukkig dat je er was.”

Als iemand mij zou vragen wat mijn mooiste moment was geweest van de reis, dan had ik geantwoord: dit moment en dat van de volgende dag  toen wij bij Dalila thuis waren en ik een zoen van haar kreeg en zij mij via de opvoeder vertelde: “Dank haar voor de cadeaus en het betalen voor de excursie. Ik zal haar voor haar volgende bezoek een briefje schrijven.”

Als je meer wilt lezen over het sponsoren van kinderen kan dat in “Tanja’s reizen” http://www.bol.com/nl/p/tanja-s-reizen/9200000026971261/.